Geschreven op 17 augustus 2015 door Jasper Maassen

Kronikeur van vrijheidsdrang – Maak kennis met Drago Jančar

Drago Jančar (Maribor, 13 april 1948) is een van de belangrijkste hedendaagse Sloveense schrijvers. Hij is ook actief als scenarioschrijver, toneelschrijver en essayist. In zijn thuisland kent men hem voor zijn maatschappelijk engagement en zijn kritische observaties over het politieke wel en wee van zijn land.

Jančar ging reeds als tiener aan de schrijf. Zijn literaire carrière liep echter niet van een leien dakje. De communistische overheid van Joegoslavië – waar het huidige Slovenië toen deel van uitmaakte – die na de Tweede Wereldoorlog de plak zwaaide, was helemaal niet te spreken over de kritische standpunten van de jonge schrijver. Hij publiceerde enkele artikelen die volgens de communisten niet door de beugel konden. Daardoor moest hij de redactie van de studentenkrant Katedra verlaten. Uiteindelijk vond hij werk bij een dagblad genaamd  Večer (De avond), maar hij bleef een doorn in het oog van de communistische overheid. Tijdens een reis naar Oostenrijk kocht hij een controversieel boekje over een bloedbad dat de partizanen van Tito hadden aangericht onder Slovenen die onder het Nazi-regime een anti-communistische militie hadden gevormd. Hij leende het boekje uit aan vrienden en werd prompt beschuldigd van het verspreiden van vijandige propaganda. De overheid lapte hem een jaar celstraf aan zijn been, maar uiteindelijk kwam hij toch al na drie maanden terug op vrije voeten. Daarmee kwam echter geen einde aan zijn ellendige aanvaringen met de autoriteiten. Meteen na zijn vrijlating moest hij paraat staan om zijn legerdienst te vervullen. Zijn oversten maakten hem het leven zuur, want hij had immers een crimineel boekwerkje het land binnengebracht.

Drago JancarTypisch voor Jančar is dat hij zich niet laat breken. Na zijn legerdienst ging hij toch weer voluit voor zijn schrijverscarrière. Uiteindelijk vond hij in Ljubljana, de hoofdstad van het huidige Slovenië, verwante zielen zoals Edvard Kocbek, Ivan Urbančič, Alenka Puhar, Marjan Rožanc en Rudi Šeligo. Hij legde zich onder andere toe op het schrijven van filmscenario’s, maar de eigenzinnige  Jančar kreeg het al snel aan de stok met de filmmaatschappij waarvoor hij werkte. Die wilde hem namelijk censureren en dat pikte hij niet. Hij zette de samenwerking stop en ontpopte zich verder tot dissident. Pas na de dood van Tito kon hij eindelijk vlot zijn werk publiceren. Ondertussen is zijn werk al vertaald in 21 verschillende talen. Hij kon ook meedere prijzen in de wacht slepen, zoals onder andere de grootste Sloveense literaire onderscheiding, zijnde de Prešeren-prijs, vernoemd naar France Prešeren, een Sloveense literaire grootheid uit de negentiende eeuw. Zijn romans Galjot (De Galeislaaf) en Severni sij (Noorderlicht) werden reeds door Roel Schuyt vertaald naar het Nederlands.

Tijdens de Tiendaagse Oorlog – de eerste oorlog na het uiteenvallen van Joegoslavië die vrij snel tot de onafhankelijkheid van Slovenië leidde – zocht Jančar samen met enkele andere schrijvers naar internationale steun voor Slovenië, maar hij blijft toch kritisch tegenover de ontwikkelingen in zijn land. Zo schreef hij in 2000 het essay ‘Xenos en xenofobie’ waarin hij de liberale media verwijt xenofobie aan te wakkeren. Ook heeft hij een uitgesproken afkeer van chauvinistische en extreemrechtse stromingen.

Het is niet verbazingwekkend dat iemand die zo vaak in aanvaring kwam met de autoriteiten en met censuur en onderdrukking, deze thematiek meeneemt in alles wat hij schrijft. Centraal in zijn werk staat vaak het conflict tussen het individu en repressieve instellingen zoals gevangenissen, psychiatrische ziekenhuizen, militaire kampen en slavernij. Zijn stijl is doorspekt van ironie en hij is een meester van tragikomische wendingen. Vaak put hij uit de rijke en turbulente Centraal-Europese geschiedenis om verhalen te brengen die kenmerkend zijn voor het menselijke bestaan.

In zijn roman To noč sem jo videl (Die nacht zag ik haar) schotelt hij de lezer een bijzonder eigengereide, ietwat ongrijpbare, zelfstandige en vrijgevochten vrouw voor. Kort na nieuwjaar 1944 wordt zij samen met haar man door de partizanen van Tito ontvoerd uit het Sloveense kasteel waar het paar woont. Opvallend is dat de lezer haar nooit rechtstreeks te horen of te zien krijgt. De lezer komt slechts mondjesmaat iets over haar te weten, door de ogen van vijf andere personages. Het resultaat is een intrigerend meerstemmig boek waarin de lezer samen met de personages probeert om deze enigmatische vrouw weer in elkaar te puzzelen om zo te achterhalen wat er precies is gebeurd. In Frankrijk won de roman de prijs voor het beste buitenlandse boek van 2014. De Duitse vertaling verschijnt in september van dit jaar en met uw hulp volgt daarna snel de Nederlandse vertaling. 

 

Deze blog is een bijdrage van William Peynsaert, vertaler van “Die nacht zag ik haar”